195
VERSLAG
EENER REIS IN DE TIMORGROEP EN POLYNESIE
DOOB.
Dr. HERMAN F. C. TEN KATE.
In gevolge van een opdracht van het Koninklijk Nederlandsch Aard-
rijkskundig Genootschap *) verliet ik Nederland den isden November
1890, ten einde mij te Genua in te schepen naar Batavia, waar ik met
de Prins Hendrik der Stoomvaartmaatschappij „Nederland" den 20steu
December aankwam.
Alvorens het verslag mijner reis te vervolgen, zij het mij veroorloofd
een kleine inleiding te doen voorafgaan.'
De oorsprpnkelijke opdracht om hoofdzakelijk het eiland Flores te
onderzoeken kon, vooral tengevolge der verwikkelingen en de militaire
expeditie op dat eiland, die juist hadden plaats gehad, niet geheel wor¬
den ten uitvoer gebracht. Trad dus het onderzoek van Flores eenigszins
op den achtergrond, zoo kwamen daarvoor Timor en Roti, en vooral
het zoo weinig bekende Soemba, in de plaats. Deed het mij, ook al aan
den eenen kant leed, mijn opdracht niet letterlijk te kunnen volgen,
zoo geloof ik evenwel, dat daardoor mijn reis in belangrijkheid eer ge-
wonnen dan verloren heeft.
Toen mijn opdracht in Nederlandsch-Indie was afgeloopen, richtte ik
mij naar Australia en de Stille Zuidzee ten einde langs dien weg, ge-
deeltelijk met ondersteuning des Genootschaps, en over Zuid-Amerika
naar Nederland terug te keeren. Een samenloop van omstandigheden,
ten deele buiten mijn toedoen, was oorzaak dat ik eerst in Juni T893
van La Plata kon rapatrieeren, en niet dan eenigen tijd later een aan-
1) Tijdschr. v. h. Kon. Nederl. Aardrijkskundig Genootschap, 2de Serie, Dl. VIII,
p. 330.
|