Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap (Tweede serie Deel XI pt. 1)

(Leiden :  E.J. Brill,  1888-1966.)

Tools


 

Jump to page:

Table of Contents

  Page 409  



409
 

PHYTO-PHAENOLOGISCHE WAARNEMINGEN IN NEDERLAND,

                                DOOR



                          P.  E.BO S.
 

  Misschien is het sommigen lezers van dit tijdschrift niet onbekend, dat

bij  gelegenheid  van het vierde Nederlandsch Natuur- en Geneeskundig

Congres  door mij is gewezen  op  de wenschelijkheid, dat voor ons land

de  gegevens  worden verzameld voor eene phyto-phaenologische kaart (of

kaarten) , waarop zijn aangegeven de verschillen in den tijd, waarop zekere

phasen in  het  leven  der planten, als: de ontplooiing der bladeren, het

bloeien,  het  rijpen  der vrucht,  het verschijnen  der  herfsttint, aan het

landschap een  eigenaardig karakter geven, terwijl die verschillen tevens

tot  zekere  hoogte het verschil  in klimaat tusschen het N. en het Z., het

W.  en het  O. des lands illustreeren. Het wilde mij foeschijnen, dat de

geograaf  in dezen  zich  moet bepalen tot het constateeren  der feiten en

het onderzoek naar een verband tusschen deze  en temperatuur, vochtig-

heidstoestand etc. aan den botanicus dient over te laten. Waarom mij die

verdeeling  van den arbeid niet wenschelijk maar noodzakelijk  voorkomt,

heb ik op  het bovengenoemd Congres nader aangetoond ').

  Tot dusver hebben  we  voor ons  land over slechts  weinig gegevens

voor  eene  phyto-phaenologische kaart te beschikken.  De opgaven, door

verschillende  waarnemers meer of minder volledig in Starings  „Almanak

voor  den Nederlandschen  landman"  onder eene rubriek „Waarnemingen

van  Natuurverschijnselen"  genoteerd,  zijn, voorzoover aan het Meteoro-

logisch Instituut opgezonden,  in het Meteorologisch Jaarboek verzameld

en  in de jaargangen 1878 en  '88  van  dit Jaarboek zijn  gemiddelden,

telkens voor  een tienjarig tijdvak, medegedeeld. Maar bedoelde opgaven,

rijk aan  hiaten en afkomstig van  zeer ongelijkmatig over Nederland ver-

deelde waarnemingsstations als ze zijn,  hebben  gediend om  er uit den

aard der zaak weinig betrouwbare gemiddelden uit te berekenen voor het
 

  1) Bandelingen van het vierde Natuur- en Geneeskundig Congres, 2estuk, p. 406—412,

Een kort verslag, door den heer J. F. Niermeyer, zie men in het Tijdschr. v. h. Kon.

Ned. Aardr. Gen., jaarg. 1893, p. 1233.
  Page 409